Geschiedenis van Harlingen

De plattegrond van de Harlinger binnenstad mag er op het eerste gezicht met zijn straten en stegen, grachten en havens warrig uitzien, het patroon is bij nader inzien rationeel, steekt net zo logisch in elkaar als bijvoorbeeld Dokkum en het veel kleinere Sloten. De oude kern is aan de noordzijde begrensd door de Noorderhaven, aan de oostzijde door het Noordijs, aan de zuidoost- en zuidzijde door de Heiligeweg, de Schritsen en de Grote Ossemarkt en aan de westzijde door een stukje Zuiderhaven en de Prinsenstraat.

Op een grote vierdelige kaart van Harlingen uit het begin van de zeventiende eeuw, getekend door Jacobus Laurentius, staat de zuidzijde van de Noorderhaven dan ook nog als Oude Noorderwal, de westzijde van het Noordijs als Oude Oosterwal en de Schritsen als Oude Zuiderwal aangegeven. Om deze kern zijn er in de tweede helft van de zestiende eeuw in een ongelooflijk snel tempo stadsuitbreidingen gegroepeerd die planmatig van opzet waren met uitzondering van de oude kerkterp en de omgeving in het zuidoosten, de nederzetting van Almenum die zeker ouder is dan die van Harlingen.

In deze streek zijn munten gevonden uit de Romeinse keizertijd, de eerste eeuwen van onze jaartelling. Er is ook een zeer zeldzame Solidus-munt met in runeschrift het woord Hada gevonden. De munt moet uit de zesde eeuw dateren en zij beeldt een persoon af die een tweede persoon vasthoudt en in de andere hand een kromstaf heeft, een staf met een dwarsstaaf als van een aartsbisschop. Bovendien zijn er in Almenum en Midlum uit diezelfde persiode mantelspelden in kruisvorm gevonden. Munt en spelden kunnen, zo is geopperd, de vroegste sporen van Cristelijke cultuur van deze streek zijn. In de kerkterp van Almenum zijn scherven aardewerk uit de zevende en achtste eeuw gevonden. De Grote of Sint Michaelkerk, ook wel de Dom van Almenum genoemd, is in 1775 ontworpen en gebouwd achter de middeleeuwse, tufstenen toren. Onder de huidige kerk werd bij bodemonderzoek de fundering van de elfde- of twaalfde-eeuwse tufstenen zaalkerk die op een schelpenbed rustte, aangetroffen en bovendien kwamen er sporen van twee houten kerkjes die aan de tufstenen kerk vooraf zijn gegaan aan het licht.

Harlingen heeft zich niet gevormd uit een kerkterp en een handelsnederzetting langs dijk en waterloop, zoals bijvoorbeeld Bolsward zich ontwikkelde, maar uit een kerkterp met buren die Almenum heette en tot ver in de zeventiende eeuw een zelfstandig dorp in Barradeel uitmaakte bij de van uit het oosten komende waterloop naar open zee, naar het Vlie of het Oude Vlie. Ook Leeuwarden heeft zich uit enkele nederzettingen gevormd, de terpen Oldehoven en Nijehove een de buurtschap Hoek, maar daar wordt de eenwording al in 1435 formeel vastgelegd. Toen Almenum al meer dan een eeuw binnen de verdedigingswallen van Harlingen was opgenomen, werd door grenswijziging in 1684 de eenwording pas geformaliseerd.

De waterstaatkundige omstandigheden en voorwaarden zijn bij het ontstaan en de ontwikkeling van Harlingen van grote betekenis geweest. De kust bij Harlingen loopt thans nagenoeg in zuid-noord richting.
Vroeger heeft de kustlijn veel schever gelopen: van zuidwest naar noordoost. Aan de zuidzijde is er land verdwenen, aan de noordzijde juist aangeslibt. De vloedstroom komt uit het zuiden; deze is bepalend geweest voor de wandeling van de kustlijn. De richting van de vloedstroom heeft tevens de ruimtelijke ontwikkeling beinvloed. De vanuit het oosten komende waterloop, een belangrijke afwatering van Friesland naar zee, had dicht bij de monding een kronkelend beloop dat ongeveer liep langs de Oude Trekweg en vervolgens de route van het Franekereind, het eerste stuk Voorstraatgracht, de Wortelhaven (thans Simon Stijlstraat) en de Lanen moet hebben gevolgd en daar bij de kust een kolk met uitwateringssluis moet hebben gehad.
Misschien zijn de straatnamen Vijver en Vijverstraat er herinneringen aan. Daar mondde de waterloop uit in het Vlie of het Oude Vlie.
De sluiskolk die diagonaal gericht lag op de uit het zuiden opkomende vloedstroom moet zijn dichtgeslibt. Om toch een behoorlijke uitgang naar zee te behouden is bij de laatste meander van Voorstraat naar Wortelhaven een nieuwe rechte uitgang naar het westen gegraven, de Voorstraatgracht die bij de huidige Grote Bredeplaats waarschijnlijk een grotere en modernere sluis kreeg. De rooilijnen van de Bredeplaats duiden de vorm van de sluiskom nog aan. Deze monding is kennelijk eveneens dichtgeslibt en wel ruim voordat de vroegst bekende kaart van Harlingen omstreeks 1560 door Jacob van Deventer getekend werd. Op die kaart lijkt er aan de oostzijde van de Grote Bredeplaats van de sluiskom overigens nog een kolkje over te zijn. Moeten we ons zo de Vijver aan de westzijde van de Lanen ook voorstellen?
Nadat ook de groter sluis dichtgeslibt was, heeft men de afwatering geregeld door het graven van een nog noordelijker gelegen waterloop; de later tot Noorderhaven verbrede noordelijke stadsgracht.

Op de genoemde kaart van Van Deventer is er bovendien nog een gracht aan de zuidzijde te zien, een gracht die langs de huidige Heiligeweg (vroeger Turfmarkt en Snakkerburen) en Schritsen loopt en die aan de westzijde geen uitmonding heeft. Vermoedelijk heeft dit water nooit tot uitwatering gediend, maar is dit een aan het einde van de vijftiende eeuw voor de verdediging gegraven stadsgracht. Zo moet Harlingen omstreeks 1500 de vorm hebben gekregen van een langgerekte rechthoek met vier nagenoeg parallel lopende grachten: de noorderstadsgracht (later Noorderhaven) de Voorstraatgracht, de Lanengracht en de zuidelijke stadsgracht (later Schritsen). Zo zien we de stad Harlingen ook verbeeld op de kaart van van Deventer uit ca.1560.
In de decennia die hierop volgden, zouden aanzienlijke stadsuitbreidingen plaatsvinden.
Het is net als bij andere Friese steden niet duidelijk op welk moment Harlingen zich stad mag noemen. "Herlinghe" komt in de bronnen voor het eerst in 1228 voor in verband met een visitatie door de bisschop van Utrecht. Een kleine eeuw later, in 1311, blijkt Harlingen voor het eerst de thuishaven te wezen van schippers die in Engelse havenregisters woorden genoteerd. er volgen nog een aantal van deze notities. Ze bewijzen overigens niet dat Harlingen een stad was.
In 1318 worden er voor het eerst poorters van Harlingen genoemd en in een akte van Lübeck uit 1335 blijkt Harlingen een volledig ontwikkeld stadsbestuur te hebben met raden, schepenen en olderman. We kunnen dus aannemen dat Harlingen zich in de eerste helft van de veertiende eeuw bestuurlijk uit de omringende grietenij heeft losgemaakt en zich heeft verzelfstandigd als stad. Harlingen werd stad aan het begin van een onrustige periode van de bloedige twisten tussen de Scieringers en de Vetkopers.

Aan het einde van de vijftiende eeuw wordt Albrecht hertog van Saksen door de Schieringer partij geroepen om in Friesland orde op zaken te stellen. Kort daarvoor zijn de vetkoperse Groningers uit Harlingen verdwenen. Zij zouden aan de Almenumer zijde een 'castellum' gehad hebben. Dit kasteel kan niet groot geweest zijn, want op de oudste plattegrond van de stad die zo'n zestig jaar later getekend werd, is er geen enkel spoor meer van te ontdekken.De hertogen van Saksen bouwden eveneens een kasteel in Harlingen. Het gebeurde nu niet aan de Franeker zijde, maar aan zee, ter verdediging van de in belang groeiende haven en de stad tegen overvallen vanuit zee. Op de vroegste stadskaarten is dit kasteel afgebeeld. Aan de westzijde heeft het twee rondelen, aan de zuidoostzijde een bastion en binnen de muren staan de verblijven en opslagplaatsen van het garnizoen, waarvan van latere afbeeldingen het Blauwhuis bekend is. Van dit kasteel zijn de laatste resten bij het vergroten van het Dok in 1896 verdwenen.
Nadat de Bourgondiërs in 1515 Friesland teruggekocht hadden en Karel V na strijd met Karel van Gelre zijn gezag in 1524 ook daadwerkelijk gevestigd had, zegde de vorst de stad Harlingen een jaarlijkse som van honderd ponden toe voor reparatie van muren, torens, poorten en andere noodzakelijkheden. Vermoedelijk gaat het daarbij niet uitsluitend om het fort met het blokhuis, maar ook om de overige stadsverdediging. Op de kaart van Jacob van Deventer lijkt aan het noordeinde van de Sint Jacobstraat een stadspoort getekend te zijn. De hierna gegraveerde plattegrond voor de atlas van Braun en Hogenberg uit de jaren-1580, waarvoor ter plekke geen nieuwe waarnemingen zijn gedaan, beeldt deze Jacobspoort niet af, maar wel een stadspoort aan Almenumer zijde.

Op deze vroegste kaarten van Harlingen valt voorts het onbebouwd gebied in het westen op, de huidige Vijverbuurt, gegrensd door Grote en Kleine Bredeplaats, Kleine en Grote Ossemarkt en de gracht tussen stad en fort.
Drossaart (dat was de vertegenwoordiger van de vorst) Frits van Grombach zou dit deel van de stad omstreeks 1517 hebben laten afbranden. Mogelijk deed hij dit om een vrij schootsveld naar de stad toe te krijgen; de strijd met de Geldersen was immers nog niet gestreden. Een tiental jaren hierna, in 1528 is er in de Noordergracht die pas een halve eeuw later tot Noorderhaven zou worden verbreed, een flinke sluis gelegd. Harlingen heeft volgens geschiedschrijvers stadsuitbreidingen gekregen in 1542, in 1579-'80 en in 1597. Het valt te betwijfelen of er in 1542 wel iets gebeurd, zelfs het bouwblok tussen de Lanen en de zuidelijke stadsgracht moet toen al bestaan hebben.
6 September 1565 ontving het stadsbestuur - olderman, burgemeester en raden - van Harlingen van Philips II verlof om de stad aan noordzijde uit te breiden en daar een nieuwe stad aan te leggen 'tott welvaeren ende in beteringe derselver stadt, oick tot gerieff van den coopvaerende luyden ende om die zeevaert te voerderen ende verbeteren'. Dit betrof vooral de verbreding van de noorderstadsgracht tot Noorderhaven en de ten noorden daarvan geplande buurt van Zousloot en omgeving. Maar volgens hetzelfde octrooi mocht aan oostzijde de oude kerk binnen de stad gebracht worden.
Voor deze uitbreidingen mocht de stad vijftig tot zestig pondematen, 18 tot 22 hectare, land aankopen. Deze activiteiten waren in de jaren van de opstand, in 1579-'80 afgerond en de stad was toen in oppervlakte ongeveer verdrievoudigd. Dit sterk vergrote Harlingen werd van 1580 tot 1582 van versterkingen voorzien door de bekendste fortificatiemeester van de Republiek, Adriaen Anthonisz. Nadat in de volgende decade de Zuiderhaven aangelegd werd, daarbij gebruik makend van een verbrede oostelijke gracht van het gedeeltelijk ontmantelde fort, onstond er ook een zuidelijke nieuwestad ten zuiden en zuidwesten van deze haven. Adriaen Anthonisz. had opnieuw de leiding bij de uitbreiding en verbetering van de fortificaties. De vestigwallen werden met zeseneenhalve dwinger gebastioneerd, terwijl de westelijke muur met twee rondelen van het oude kasteel gehandhaafd bleven en een onderdeel uit gingen maken van de vestingring.
In nog geen veertig jaar tijd was Harlingen in omvang meer dan verviervoudigd; voor een Nederlandse stad een ongewoon explosieve groei. Harlingen zou overigens tot in de negentiende eeuw binnen deze vesting gevangen blijven en er heeft in de stad dan ook een zeer grote bebouwings-verdichting plaatsgevonden.
Toen het oude Almenum binnen de nieuwe stadsuitbreidingen en stadsgrachten was opgenomen, werd het verzoek van 1582 om deze uitburen onder jurisdictie van de stad te brengen nog niet door de stadhouder ingewilligd. Almenum en het vrij aanzienlijke gedeelte van de stad ten zuiden van Lombardstraat en Scheerstraat, ten oosten van Noordijs (o.z.), Heiligeweg en Brouwersstraat behoorde sinds ongeveer 1505 bij de grietenij Barradeel. Bij de grenswijziging van 1684 kwam daar pas verandering in; toen kwam de grens van de stad in de stadsgracht te liggen.

Gedurende de negentiende eeuw veranderde de stad ingrijpend van karakter. Van de jaren-dertig tot -zeventig werden de stadspoorten gesloopt en de verdedigingswallen vergraven. Op die vergraven wallen kwam ruimte voor volkshuisvesting, industrie en bijzondere functies zoals het ziekenhuis en het stadspark. De zuidelijke stadsrand veranderde het meest door de aanleg van de Nieuwe Willemashaven. Ook de oude kern van Harlingen onderging wijzigingen door de demping van de meeste grachten. In 1849 werd als eerste de vermoedelijk oudste waterloop, de Lanen gedempt. In 1865 volgde de Schritsen en meteen daarna de Wortelhaven die na de demping Simon Stijlstraat genoemd werd.
De grachten van Turfhaven en Snakkerburen -die na demping de naam Heiligeweg ontvingen- en van de Brouwersgracht werden in 1867 dichtgegooid en tenslotte gebeurde dat in 1884 en 1885 eveneens met de Voorstraatgracht tot de Sint Jacobstraat. In het begin van onze eeuw volgden in de oostelijke nieuwstad nog de dempingen van de smalle Wester- en Oosterkeetstraat.

Uit: Van Zoutsloot tot Vijver
25 jaar Hein Buismanstichting
Tekst: Peter Karstkarel