Marten Gerritsz Fries, VOC-Commandeur van Harlingen


Dit verhaal begint in 1993 als twee Russische studenten uit Moskou een brief schrijven naar het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag met het verzoek om informatie over Marten Gerritsz Fries. M.G. Fries was commandeur in dienst van de Vereenigde Oost-Indische Compagnie. Hij zette in 1643 als eerste Europeaan voet aan wal op het tegenwoordige Russische eiland Sachalin. Volgens de plaatselijke geschiedenis zou deze zeevaarder afkomstig zijn uit Harlingen. Deze ontdekking van 350 jaar geleden wil men op Sachalin groots gaan vieren. Het CBVG stuurt een antwoordbrief met enige gevonden informatie over de commandeur terug. Via een rondreis langs diverse instellingen, om meer informatie te verzamelen, belandt de Russische brief uiteindelijk in dat jaar ook bij de Vereniging Oud Harlingen. Op dat moment is men in Harlingen niet bekend met deze commandeur. De nieuwsgierigheid is echter gewekt en een spannende ontdekkingstocht naar deze ontdekkingsreiziger begint. Interessant voor Harlingen is natuurlijk de vraag wat voor relatie Fries heeft met onze stad. Is er überhaupt wel een relatie met Harlingen? Wanneer is hij geboren en was dat in Harlingen? Of was het zijn laatste woonadres voordat hij naar Indië vertrok? Groningen heeft Abel Tasman. Heeft Friesland dan Marten Gerritsz Fries? Hoe belangrijk is deze zeevaarder geweest voor onze vaderlandse geschiedenis en hoe komt het dat wij hem dan zijn vergeten? Allemaal vragen die om antwoorden smeken. En dus wordt er, vanuit de Vereniging Oud Harlingen door de werkgroep Stadshistorie, een onderzoek gestart.  

Het onderzoek
Het onderzoek verloopt in twee fasen. De eerste fase vindt plaats van 1993 tot begin 2001. In onze eigen stad worden geen aanknopingspunten gevonden. Via onder andere het Algemeen Rijks Archief in Den Haag en oude geschiedenisboeken, zoals van W. Eekhoff, wordt veel over Fries boven water gehaald. Er wordt een relatie met Harlingen aangetoond, hetgeen blijkt uit originele VOC-bronnen. Een geboortedatum en geboorteplaats van Fries worden niet gevonden. Het lastige is ook dat zijn naam op diverse manieren in de boeken staat geschreven. Meestal Maarten Gerritsz de Vries, maar ik heb voor dit artikel de naam gekozen waarmee hij persoonlijk een VOC-document heeft ondertekend, namelijk Marten Gerritsz Fries. De werkgroep doet intussen een oproep aan mensen die op vakantie gaan naar Indonesië om ter plaatse informatie op te vragen. Zodoende komen er kopieën van testamenten, huwelijksakte en een geboorteakte (dochter) van Fries vanuit het Arsip Nasional Republik Indonesia in Jakarta. Ze geven helaas niet de antwoorden op onze vragen.
Een zoekactie in Rusland loopt uit op een dood spoor. Het dossier verdwijnt vervolgens in de kast. Tot december 2006, wanneer ondergetekende besluit de draad weer op te pakken. Daarmee begint de tweede fase van het onderzoek, dat dan tot medio 2008 zal gaan duren. Er gaan brieven naar diverse buitenlandse musea en universiteiten. Er wordt met professoren in de geschiedenis, gespecialiseerd in de VOC, in binnen- en buitenland gecorrespondeerd. Het net rond Fries wordt strakgetrokken. Een artikel van amateur-historicus Anne Hallema uit 1939 zorgt voor een doorbraak. Hij noemt een geboortedatum, 28 februari 1589 en een geboorteplaats, namelijk Harlingen! Helaas noemt hij zijn bronnen niet bij naam. Wel verwijst hij naar jonkeer P.F.B. von Siebold. Deze Duitser van geboorte werkte als militair arts in Nederlandse dienst van 1823 tot 1829 op Deshima, de factorij (handelsnederzetting) van de VOC in Japan. Hij heeft daar aan het hof van de Japanse keizer in het VOC-archief mogen lezen en zodoende veel kennis opgedaan. Het is bijzonder jammer dat Hallema zich niet nader verklaart over de bronnen. Contacten met het Von Sieboldhuis in Leiden en enkele boeken van Von Siebold hebben niets opgeleverd. Dus blijft de vraag waar Hallema zijn informatie vandaan heeft. Navraag over de persoon Hallema leert ons dat hij in het algemeen als amateur-historicus is geaccepteerd door de wetenschap en dat hij betrouwbare boeken en artikelen heeft geschreven. Alleen bij het laatste was hij meestal onvolledig met zijn bronvermelding. De conclusie is dat er door de diverse vermeldingen “van Harlingen” achter de naam van Fries in de missiven (brieven) en resoluties van de VOC er met grote zekerheid een relatie is aangetoond tussen hem en onze stad, maar het blijft vaag of hij ook daadwerkelijk in Harlingen is geboren. Aan de andere kant zijn er ook geen bewijzen gevonden dat Fries ergens anders is geboren.

 

Marten Gerritsz Fries
Het gedeelte van zijn levensverhaal voor het vertrek naar Batavia (Jakarta) blijft gebaseerd op geschreven stukken die tot op heden niet zijn bewezen, omdat de bronnen niet zijn vermeld, of niet zijn gevonden gedurende het onderzoek. Op 28 februari 1589 wordt Marten Gerritsz geboren in Harlingen. Pas in Indië, nadat zijn carrière een stijgende lijn ging vertonen, heeft hij zijn naamstoevoeging Fries gekregen of zelf aangenomen. Dat was niet ongebruikelijk. Vooral in Harlingen kwamen in die tijd nog veel patroniemen voor: eigennaam met vadersnaam. Marten doorloopt een goede en gedegen opleiding in onze stad. De enige school die daarvoor in aanmerking komt is naar mijn mening de voormalige Latijnse School. Hij leert er goed rekenen, tekenen en meten. Na zijn schooltijd gaat hij varen op de Noord- en Oostzee. Tussentijds raakt hij slaags met de beruchte Duinkerker zeerovers. Later monstert hij aan bij de VOC-Kamers van Enkhuizen en Hoorn voor een avontuur bij de VOC. De Kamer van Hoorn stuurt hem als matroos mee op het schip “’t Wapen van Hoorn” naar Batavia. Daar komt het schip aan op 22 juli 1622. Overigens was het schip bijna vergaan op de westkust van het Zuidland (Australië). Het duurt tot 1638 als we Marten Gerritsz weer in de boeken tegenkomen. Hij werkt dan als landmeter en loods te Tayouan. Dit is een klein eiland voor de kust van Taiwan, waarop de Nederlanders fort Zeelandia stichtten. Een jaar later staat Mathys Hendriksz Quast aan het hoofd van een ontdekkingsreis naar het oosten van Japan. Hij heeft maar één opdracht: vindt de vermeende goud- en zilvereilanden. Quast heeft vermoedelijk gebruik gemaakt van aantekeningen, bevindingen en aanbevelingen van Marten Gerritsz. Deze zou zelf mogelijk de tweede man zijn geweest van de expeditie en diverse bronnen vermelden dat Abel Tasman kapitein van één van de vlootschepen was. De reis levert niets op, maar vormt wel de aanleiding voor een nieuwe expeditie een paar jaar later, maar dan onder leiding van onze Marten Gerritsz. In april 1639 trouwt hij in Batavia met Josina de Frese (of Vreese), een jongedame afkomstig van Gent. In september van dat jaar wordt voor het eerst de naam Fries in combinatie met Marten Gerritsz aangetroffen. Hij ontvangt dan orders voor een reis naar Taiwan. Een kopie hiervan ligt in Taiwan. Van een door Fries bijgehouden daghregister (soort dagboek) van deze korte reis ligt eveneens een kopie in Taiwan. In 1640 is hij weer op dit eiland. Hij onderscheidt zich dan in het maken van een landkaart van het eiland en zeilaanwijzingen voor de route van Batavia naar Japan. Een andere bron vermeldt dat hij in datzelfde jaar naar Tonkin (in Vietnam) vertrekt en dat hij als schipper (!) betrokken is bij de belegering van Malakka. Het jaar daarop keert hij terug naar zijn vrouw. Op 24 oktober van dat jaar wordt hun dochter Josijntje gedoopt in de Hollandse Kerk te Batavia. In 1642 veroveren de Nederlanders fort Quelangh (Keelung of Chilung) in het noorden van Taiwan op de Spanjaarden. Fries neemt als schipper deel aan die succesvolle strijd. De verovering staat onder leiding van Hendrik Harousé. De VOC heeft twee redenen om het fort te veroveren. Ten eerste vanwege de goudmijnen op het eiland en ten tweede worden de Nederlanders onder druk gezet door de Japanners. Zij beschouwen Nederland wel als bondgenoot maar zijn bevreesd voor christelijke propaganda. Natuurlijk zijn de Nederlanders ook christelijk, maar zij hebben in tegenstelling tot de Spanjaarden nooit het geloof in Japan willen propaganderen. In datzelfde jaar is Fries ook als landmeter op Taiwan werkzaam en we vinden een document met zijn handtekening, waaruit blijkt dat hij zelf zijn naam spelt als Marten Gerritsz Fries. Dat bewijst ook dat hij zijn bijnaam inderdaad al had. Enig idee wat Fries in die tijd als loon kreeg uitbetaald? In september 1640 loopt zijn contract als schipper, landmeter en kaartenmaker af. Op 31 december 1642 wordt zijn contract officieel met drie jaar verlengd. Zijn maandsalaris wordt dan verhoogd van 75 naar 100 gulden. Het jaar 1643 zal een belangrijk jaar voor hem worden. Fries krijgt het commando over een expeditie met de volgende opdrachten: vind een nieuwe handelsroute naar Tartarije (Siberië); onderzoek de handelsmogelijkheden en sticht eventueel een factorij; onderzoek de handelsmogelijkheden met het koninkrijk Cathay (nu een deel van China); verken de onbe-kende westkust van Amerika en zoek de goud- en zilvereilanden. De vloot bestaat uit twee schepen, het fluitschip “Castricum” en het jacht “Breskens”. Fries bevindt zich op de “Castricum”. Kapitein Hendrick Cornelisz Schaep van de “Breskens” is de tweede man van de expeditie. Op 2 februari vertrekt de vloot van Batavia naar Ternate, een eiland en stad op de Molukken, waar proviand, drinkwater en brandhout wordt ingeslagen. Op 4 april begint de ontdekkingsreis. Door een zware storm op 19 mei voor het eiland Hachijojima, raken de schepen elkaar kwijt. De “Castricum” lijdt daarbij bijna schipbreuk. Vanaf dat moment krijgt de reis twee spannende verhaallijnen. Fries besluit door te zeilen en komt op 13 juni bij de Koerilen aan. Namens de VOC claimt hij de eilanden Itoeroep, die hij de naam Stateneiland geeft en Oeroep, dat hij Companies Land noemt. De zeestraat tussen de eilanden draagt tot de dag van vandaag de naam “Zeestraat van De Vries”. Overigens meent Fries ten onrechte dat Oeroep het vaste land van Noord-Amerika is. Onder leiding van Fries zet een groep Nederlanders als eerste Europeanen voet aan wal op het eiland Sachalin. Ze maken contact met de Aino-bevolking. De bevolking heeft meteen in de gaten waar het de Nederlanders om te doen is, namelijk de zoektocht naar goud en zilver, en neemt hen in de maling. Nadat Fries het eiland voor de VOC claimt, druipen de Nederlanders zonder verdere resultaten weer af. Intussen vaart Schaep met de “Breskens” op 29 juli, dit tot schrik van de Japanners, de baai van het domein Nambu binnen. Tien bemanningleden, onder wie Schaep zelf, worden door evenveel aantrekkelijke Japanse schoonheden aan wal gelokt en vervolgens door de plaatselijke autoriteiten gevangen gezet. De groep wordt overgebracht naar Edo (Tokio). Daar worden ze vier maanden verhoord. Ze weten de Japanners gelukkig  te overtuigen dat het niet de bedoeling was om zendelingen aan wal te zetten. Gelijkertijd is namelijk een Portugees schip aangehouden met aan boord Jezuïeten, die wel de bedoeling hadden missiewerkzaamheden te gaan ondernemen. Uiteindelijk zien de Japanners de vergissing in en zitten ze er mee in hun maag, omdat Nederland immers als bondgenoot wordt gezien. In september wordt het opperhoofd van de factorij Deshima (bij Nagasaki), Johan van Elserack, ingelicht. Hij gaat de onderhandelingen met de Japanners aan en dat resulteert in de vrijlating van de gevangenen op 8 december. Overigens staat dit incident te boek als het “Breskensincident”  en heeft het invloed gehad op de latere betrekkingen tussen Nederland en Japan. De “Breskens” is met de overgebleven bemanningsleden weggevaren en komt per toeval de “Castricum” weer tegen. Op 18 november lopen beide schepen veilig de haven van Tayouan binnen. De VOC vindt de reis toch succesvol en de bemanningen krijgen extra soldij. Helaas heeft de VOC geen verdere belangstelling voor Sachalin, zodat de ontdekkingsreis naar de achtergrond is geraakt. Voor zijn bewezen diensten aan de VOC wordt Fries op 6 februari 1644 onderscheiden met de eervolle aanstelling als Examinator der scheepsjournalen van de schippers en stuurlieden. Lang zal hij deze functie niet bekleden, want in oktober van het volgende jaar voert hij alweer, als schipper-commandeur, het bevel over een vloot van drie schepen, die de Spanjaarden moet afschrikken. Na deze tocht wordt hij bevorderd tot commandeur. In de jaren daarna onderneemt hij met wisselende vloten diverse acties tegen de Spanjaarden. Hij heeft het vooral ook gemunt op de “silverschepen” komende vanaf Nova Spania (Mexico). Na het overlijden van zijn eerste vrouw, trouwt Fries op 19 januari 1647 voor de tweede keer in Batavia, met Catharina van Gogh (of Goch) van de Waert (of Weert). Tegen het einde van dat jaar begint hij aan zijn laatste noodlottige reis. Met een vloot van negen schepen vaart hij uit naar Manilla om opnieuw de strijd met de Spaanse Armada aan te gaan. De Spanjaarden hebben de Filippijnen in bezit. Tijdens de reis breekt er een vreselijke ziekte uit. 600 zeelieden, waaronder Fries, komen om als gevolg van deze ziekte. Vermoedelijk is Fries gestorven tussen 10 december 1647 en 1 januari 1648. In diezelfde maand januari hertrouwt zijn vrouw al met opperkoopman Jacobus van Hensbroeck van Delft. Onbekend is hoe het met zijn dochter Josijntje is afgelopen.

Zijn naam leeft voort!
Van de expeditie in 1643 heeft eerste stuurman Cornelis Jansz Coen van de “Castricum” een scheepsjournaal bijgehouden. Een zeer beknopte samenvatting hiervan wordt in 1646, tezamen met een ander reisverhaal, voor het eerst gepubliceerd door een uitgever in Amsterdam. De Franse marineofficier en ontdekkingsreiziger Jean Francois de La Pérouse zeilt in de 18e eeuw veel ontdekkingsreizen van de eeuw daarvoor na. Hij maakt o.a. gebruik van zeekaarten van Fries. In tegenstelling tot anderen roemt hij Fries als een meester in het vervaardigen van kaarten. In 1852 blijkt het handgeschreven scheepsjournaal van Coen in bezit te zijn van J. Huydecoper van Maarseveen. Hij brengt het naar uitgever Muller in Amsterdam, die het op zijn beurt weer laat lezen aan Pieter A. Leupe, kapitein der mariniers en later werkzaam bij het Rijksarchief. Deze blijkt al jaren tevergeefs te zoeken naar dit verslag. In 1858 geeft Leupe het totale reisverslag bij Muller uit met aanvullingen van jonkheer Von Siebold. Commandeur Fries wordt dan herontdekt. In 2000 verschijnt bij Walburg Pers het boek “De gevangenen uit Nambu”. Een boek van Reinier Hesselink, professor aan de University Northern Iowa. Het boek gaat hoofdzakelijk over het avontuur van de “Breskens” en maakt daarmee het verhaal van de reis uit 1643 compleet. En zo leeft de naam Fries voort. Toen ik in december 2006 een mailtje stuurde naar Dr. John Stephan, gepensioneerd professor geschiedenis aan de University of Hawai, met de vraag of hij iets van Fries wist, kreeg ik zijn stomverbaasde antwoord: “Fries is of course well known to all students of Pacific maritime history in general and to Sakhalin in particular”. Wordt het dan niet eens tijd dat wij in Harlingen meer aandacht gaan geven aan deze belangrijke historische figuur? Hij heeft toch op de een of andere manier een bewezen relatie met onze stad.

 Een aantal Harlingers heeft vanaf 1993 bijgedragen aan het onderzoek dat een tijdsbestek van zo’n 15 jaar in beslag heeft genomen. In alfabetische volgorde zijn dat de dames G. Sierdsma-v.d. Zwaag, N. van Weerlee-Zadvorotsjnova en A.M. van der Werf en de heren R.P. Attema, B.J. Brijder, S.Y. Elsinga, Y.J. Elsinga, R. Posthumus. Zijdelings zijn er nog een aantal mensen betrokken geweest bij het onderzoek. Ik heb ze allemaal vermeld in mijn eindrapport. Dat geldt ook voor de vele bronnen die zijn gebruikt.

 René P. Attema