Het bekendste panwerk is wel dat van de Firma van Hulst. In 1939 nam de Firma Haitsma de fabriek over en zette dit tot in 1961 door. Vele Harlingers zullen zich dit nog wel herinneren. Ook staat er nog een woonhuis op de hoek aan de Kanaalweg, in dit huis woonde vroeger de meesterknecht panbaas. De laatste "panbaas" die hier woonde was Pieter van der Gaag van 1954 tot 1961. In de gevel staan nog de initialen J.v.H. (Jan van Hulst) met het jaartal 1894. Sinds 1961 woont hier de familie T. Jonkman.
Het panwerk werd oorspronkelijk in 1837 door Jurjen Rinnerts Haitsma opgericht en pas in 1869 nam Jan Jans van Hulst de fabriek over en in 1886 werd het de Firma J. van Hulst.
In 1894 overleed Jan van Huist en volgde Sybrand van Hulst hem op, deze overleed in 1949.
Zo rond het begin van de negentiende eeuw werkten enkele honderden mannen, vrouwen en kinderen in de kleiverwerkende industrie. De werkomstandigheden waren destijds zwaar.
Arbeiders in de dakpannenfabriek werden uitbetaald per duizend pannen, dit werd aan de pannenmaker betaald, die het verdeelde over de ploeg. Een ploeg maakte wekelijks achtduizend tot tienduizend pannen, dus hoefde men niet vaak op het geld te wachten.
De grondstof voor de pannen, klei, werd tussen Harlingen en Kimswerd gegraven. Dit werd in een praam gekiept en zo naar de fabriek vervoerd. Hiervoor werd zogenaamde "slappe" klei gebruikt, dit is de bovenste laag en van nature rood bakkend. Geruime tijd werd dan de klei aan weer en wind bloot gesteld, hierdoor verrotten de resten van planten, die er eventueel in zouden zitten. Omdat er geen harde stukken in mochten achter blijven, werd de klei gemalen en werden er "walken" van gemaakt. Dit zijn stukken klei in de vorm van een kubus, voldoende voor een dakpan. Daarna ging dit in de panvorm. Dat gebeurde vroeger met de hand en later met stempelpersmachines. De benodigde kleiplaat werd op een matrijs gelegd, waarna een op de juiste maat ingestelde stempel boven de kleiplaat, deze in één slag tot definitieve dakpan stempelde.
Hierna werden de kleivormen geruime tijd in de wind gedroogd voordat ze de oven in konden. Dit gebeurde in grote droogschuren waar ze op lange rekken lagen met aan de zijkanten grote luiken. Deze werden tegen elkaar open gezet om wind er doorheen te laten jagen. Dit nam echter veel tijd en ruimte in beslag en om dit proces te versnellen en ruimte te winnen, werd er later door de Firma Haitsma een droogtunnel gebouwd, waar men de warme lucht van de ovens door heen leidde.